Ga naar hoofdinhoud
"Archeologisch museum voor de steentijd"

Wat zijn artefacten?

Eigenlijk heel simpel: in de archeologie wordt de term artefact gebruikt voor alle voorwerpen of sporen die door de mens zijn veroorzaakt.

Ons museum is redelijk representatief wat betreft een overzicht van alle steentijdculturen. Het is natuurlijk ondoenlijk om alle artefacten in dit artikeltje de revue te laten passeren. Daarom heb ik ervoor gekozen van iedere aanwezige cultuur een zogenaamd gidsartefact te vermelden. Zo’n werktuig bepaalt namelijk bij welke cultuurperiode een bepaalde vindplaats kan worden ingedeeld.

Afrika

We starten ons zoektocht in Afrika. Daar staat immers de wieg van de mensheid. Als eerste komen we dan terecht in de Oldevai kloof in Tanzania. We zijn dan maar liefst omstreeks 1,5 miljoen jaar terug in de tijd. Honderd duizenden jaren gebruikten de homo habilis en homo erectus daar scherpe scherven van steen en ROLSTEENWERKTUIGEN, zogenaamde HACHERAUX om bijvoorbeeld merg uit botten te verkrijgen of eetbare planten uit te graven. Deze periode, het Oud Paleolithicum duurde tot omstreeks 170.000 jaar terug.

Hacheraux

Vuistbijl

Vanaf 170.000 jaar geleden ontwikkelde de oermens in het Midden Paleolithicum geleidelijk aan uit de hacheraux de alom bekende VUISTBIJL. Een tweezijdig uiterst zorgvuldig gevormd artefact met een scherpe gekartelde rand, een zogenaamde BIFACE. Een vuistbijl was voor de oermens een kostbaar bezit. Op zoek naar voedsel had hij die steevast bij zich. Vuistbijlen waren destijds trouwens niet overal in gebruik. In Oost Europa en Azië gebruikte de oermens in diezelfde periode het KEILMESSER. Een dergelijk artefact had meer weg van een hakwerktuig, een hacheraux.

Neanderthaler

Intussen had de Neanderthaler al lang zijn intrede gedaan. Alvorens definitief van het toneel te verdwijnen, zo omstreeks 35.000 jaar geleden, wist de Neanderthaler zijn voorraad artefacten aan te vullen met een zorgvuldig bewerkte BLADSPITS, als punt voor een stootspeer. Oervolkeren maakten gewapend met houten spiesen, met in vuur geharde punten, jacht op groot wild als mammoeten, bizons, paarden, nijlpaarden, neushoorn en olifanten. Om de dieren te vangen maakten ze gebruik van kunstmatige vallen, kuilen of dreven ze de dieren onder luid geschreeuw in natuurlijke moerassen. Vervolgens slachtten de jagers hun prooi met vuistbijlen als kartelmessen.

Klingen

De laatste ijstijd, het Weichselien, loopt ten einde. De Neanderthaler is van het toneel verdwenen en heeft intussen plaats gemaakt voor de moderne mens, de Homo Sapiens Sapiens. In grotten, zoals in het Franse Lascaux, kan men van hem adembenemende jachttaferelen bewonderen.

We nemen een sprong in de tijd en komen dan aan bij vertegenwoordigers van de HAMBURGCULTUUR, de rendierjagers van ongeveer 14.000 jaar geleden, een Jong Paleolitische cultuur. Het is de periode van de klingencultuur met als gidsartefact de KROMBEKSTEKER. Met een dergelijk artefact stak men lange dunne spanen uit rendiergewei voor gebruik als naalden en priemen.

Federmesserspits

Een volgende Jong Paleolitische cultuur is de FEDERMESSER cultuur, tussen 11800-9300 jaar voor heden. Door verandering van vegetatie en fauna verdween de eenzijdige en sterk gespecialiseerde rendierjachtcultuur. Jacht op eland, edelhert en everzwijn maar ook visvangst werd van belang. De klingen zijn minder fraai en regelmatig. Het gidsartefact van deze cultuur is een spits met een gebogen steil geretoucheerde rug, de zogenaamde FEDERMESSER SPITS, gelijkend op een pennenmesje.

Lingby bijl

De laatste Jong Paleolitische cultuur is de AHRENSBURGCULTUUR ( 9000-7500 v.Chr.). De eerste 1000 jaar van de Ahrensburgperiode was een relatief koude en droge periode met een subarctisch klimaat. De gemiddelde temperatuur was toen in de zomer 5 graden boven het vriespunt en in de winter 15 graden daar beneden. In deze tijd kwamen de rendieren hier terug, Een gidsartefact is de Lyngby bijl, gemaakt van het gewei van een volwassen mannelijk rendier. Het werd onder meer gebruikt als jachtwerktuig. Daarmee kon een aangeschoten rendier een dodelijke slag op zijn schedel worden toegebracht.

Microlieten

Na de laatste fase van het Jong Paleolithicum, de Ahrensburgperiode, verandert het klimaat ingrijpend. Hiermee vangt het MESOLITHICUM aan ( circa 9300-6300 voor heden). Er vond een geleidelijke klimaatsverbetering plaats die leidde tot het ontstaan van steeds dichter wordend bos waarin aanvankelijk vooral grove den en berk voorkwamen, gevolgd door eik, iep, es, linde en hazelaar. Er werd jacht gemaakt op kleine en middelgrote diersoorten. Verder visvangst en het verzamelen van noten, eieren en kruiden. De artefacten waren grotendeels ge-ent op klingen. Als gidsartefacten komen voor deze periode MICROLIETEN in aanmerking. Dergelijke kleine artefacten waren onder meer in gebruik als pijlbewapening.

Geslepen bijl

Omstreeks 6300 v. Chr. breekt een nieuwe cultuurperiode aan : het NEOLITHICUM ( 6300-3700 voor heden). Door de agrarische revolutie veranderde de economie drastisch. Niet meer door jagen, vissen en verzamelen maar door akkerbouw en veeteelt wist de mens in zijn onderhoud te voorzien. De economische verandering had invloed op de gereedschappen die de mens gebruikte. Een vereiste om landbouw te kunnen bedrijven waren allereerst goede bijlen. Met deze bijlen kon het dichte bos van eik, linde, iep, es en els gekapt worden en was de aanleg van landbouwgrond mogelijk. Het meest aansprekende gidsartefact voor he Neolithicum was dan ook de GESLEPEN BIJL.

Bronstijd

Met het Neolithicum zijn we dan aan het eind gekomen van de steentijd. Een onvoorstelbaar lange periode in de menselijke geschiedenis van meer dan 1,5 miljoen geleden tot omstreeks 6000 jaar terug in de tijd. Vuursteen was voor hem van levensbelang.

Rest ons nog de overgang van het Neolithicum naar de BRONSTIJD. In deze periode werd aanvankelijk naast artefacten van brons nog veelvuldig gebruik gemaakt van vuurstenen werktuigen. De SIKKEL is in dit verband een duidelijk voorbeeld van een gidsartefact. Sikkels werden onder meer gebruikt bij het oogsten van granen. De benodigde vuursteen werd door de prehistorische mens gewonnen op het eiland Helgoland. De plaatvormige vuursteen was daarvoor uitermate geschikt. Was de winning daar eenvoudig, het transport was dat geenszins. De vuursteen moest immers over zee worden getransporteerd. De kortste verbinding naar het vaste land was 55km. Het eiland was van daar niet zichtbaar. Het vergde van de prehistorische mens veel zeemanskunst om met boomstamkano’s hun missie te voltooien

Back To Top