Laatste nieuws
AGENDA 2012
Agenda voor geheel 2012
Zaterdag 9 juni. Prehistorische Jeugddag
Een dag vol prehistorische avonturen voor kinderen
Zaterdag 7 juli. Oerboerendag
De gezellige Oerboerendag op het terrein van het IJstijdenmuseum is een dag vol gezelligheid met een terugblik naar het verleden
Zaterdag 28 juli . Prehistorische markt
Even een dag terug naar de prehistorie en alles meedoen en mee beleven
Zaterdag 25 augustus. Zwerfsteendag
Zwerfstenen werden meer dan 100.000 jaar geleden aangevoerd met een grote ijsgletsjer. Vandaag staan de zwerfstenen in de belangstelling
EXPOSITIES
Vanaf 7 april t/m 13 oktober
Determinatiedagen seizoen 2012-2013
Voor meer info deze pagina

Rubriek Zwerfstenen (Klik op de kleine afbeeldingen voor een grotere afbeelding)
Ålandrapakivi's; veel gevonden zwerfstenen. (Door Peter Hofstee)
Als je op een drukke plek ergens in Nederland aan de voorbijgangers zou vragen wat een Ålandrapakivi is, dan is het wel zeker dat je de meest vreemdsoortige onjuiste antwoorden zou krijgen, hoewel iedereen, die ook maar iets geïnteresseerd is in zwerfstenen vast wel eens met belangstelling naar zo’n roodbruine steen met zijn opvallende witte ringen heeft gekeken. Rapakivi is een gesteentesoort, die op verschillende plaatsen op onze aarde voorkomt. Ieder voorkomen heeft de hierna te bespreken speciale rapakivikenmerken, maar er zijn ook verschillen tussen de gebieden van herkomst.
Verder naar artikel
Zandstenen (en kwartsieten) in Noord-Nederland. (Door Peter Hofstee)
Zandstenen en kwartsieten behoren over het algemeen niet tot onze meest opvallende zwerfstenen. Dat ze toch in aanmerking komen om eens beschreven te worden in een artikel komt omdat ze tussen onze zwerfstenen in grote aantallen voorkomen en er bovendien nog al eens mensen met vondsten komen om te vragen wat voor soort steen ze hebben gevonden.
Verder naar artikel
Gesteentevorming in Friesland
Kunnen wij in Friesland stenen vinden, die in het gebied zelf zijn gevormd of zijn alle aanwezige zwerfstenen van elders aangevoerd, met name uit Scandinavië door het landijs?Ik ben opgegroeid bij Heerenveen in de buurt van het riviertje de Tjonger. Als schooljongens waren we nog al eens te vinden bij het gekanaliseerde riviertje. In het voorjaar was een bepaalde plek nogal interessant vanwege de eendeneieren die daar volgens ons volop zouden moeten liggen. Het was een buitendijks, drassig stuk land met daarin een door rietkragen omzoomde meander van de vroegere Tjonger.
Verder naar artikel
Zweedse Helsinkiet, Myloniet of Metasomatiet.
Onlangs vond ik een zwerfsteen die ik de moeite van het meenemen waard vond. In een grijze grondmassa van de steen zaten prachtige grote rode plagiopklazen. Ik herinnerde mij het soort gesteente van één van de collecties die ik in de afgelopen jaren had gezien en meende een Helsinkiet te herkennen.
Verder naar artikel
Rhombiporfieren en Oslo basalten.
In het IJstijdenmuseum heeft Peter Hofstee uit Kootstertille in één van de vitrines een collectie rhombenporfieren tentoongesteld. Peter is een verwoed zwerfsteenverzamelaar en heeft thuis een enorme collectie zwerfstenen opgeslagen. Het grootste deel van zijn omvangrijke collectie bestaat uit gezaagde en gepolijste stenen. Het zagen en polijsten vindt plaats in de garage achter de woning.
Verder naar artikel
Hottefyle
Thijs Zuidema uit Twijzel bracht een aantal weken geleden een langwerpige zandstenen voorwerp in het IJstijdenmuseum. Het stenen voorwerp had aan beide lengte zijden heel veel krasjes. Volgens Zuidema zou de steen gebruikt kunnen zijn voor het slijpen van messen of iets dergelijks. De zwerfsteen deskundige van het IJstijdenmuseum Jan Veenstra uit Veenwouden werd ingeschakeld om het stenen voorwerp thuis te brengen. Toen Veenstra de steen had bekeken stelde hij vast dat het hier om een “hottefyle” ging.
Verder naar artikel
Verfsteen.
Jan van der Bij uit Buitenpost bracht kort geleden een ronde steen met een gladde onderkant in het IJstijdenmuseum. Volgens van der Bij is de steen een verfsteen die in vroegere tijden werd gebruikt om verf te mengen. Hij had de steen al jaren in zijn voortuin liggen. Omdat in het IJstijdenmuseum veel bewerkte zwerfstenen liggen zou daarbij de verfsteen ook kunnen passen.
Verder naar artikel
Nieuwe zwerfsteensoort
Verder met artikel
Amfiboliet.
Een unieke zwerfsteenvondst.
Verder naar artikel
Hannekemaaiers en Kiepkerels
Verder naar artikel
Rhomben porfieren
Verder naar Artikel
Voor meer zwerfstenen
Ålandrapakivi's veel gevonden zwerfstenen. (Klik op de kleine afbeeldingen voor een grotere afbeelding)
Als je op een drukke plek ergens in Nederland aan de voorbijgangers zou vragen wat een Ålandrapakivi is, dan is het wel zeker dat je de meest vreemdsoortige onjuiste antwoorden zou krijgen, hoewel iedereen, die ook maar iets geïnteresseerd is in zwerfstenen vast wel eens met
belangstelling naar zo’n roodbruine steen met zijn opvallende witte ringen heeft gekeken. Rapakivi is een gesteentesoort, die op verschillende plaatsen op onze aarde voorkomt. Ieder voorkomen heeft de hierna te bespreken speciale rapakivikenmerken, maar er zijn ook verschillen tussen de gebieden van herkomst. We beperken ons in dit artikel echter tot de Ålandrapakivi’s.
Onder onze zwerfstenen, die hier tijdens de Saale-IJstijd, meer dan 150.000 jaar geleden, door het landijs van de rotsen van herkomst naar hier zijn vervoerd, komen exemplaren voor van rotsmassa’s uit Finland, Zweden en Noorwegen. Stenenverzamelaars kunnen aan de hand van onderlinge verschillen over het algemeen wel bepalen van welk massief de gevonden rapakivi afkomstig is.
Ålandrapakivi’s zijn dus veel voorkomende zwerfstenen. Op de Hondsrug zijn ze heel algemeen, maar ook in het oosten van Friesland komen ze heel regelmatig voor en zo nu en dan ziet men op een erf een exemplaar liggen, dat hoogstwaarschijnlijk is meegenomen om de mooie ringen aan de buitenkant van de in dat geval onverweerde steen.
Zuid-Finland en de Finse Ålandeilanden zijn van de gebieden waar rapakivi’s voorkomen, verreweg het bekendst. “Rapakivi” is dan ook een Fins woord. Het betekent zoiets als “korrelige” of “brokkelige” steen. Dit houdt al in, dat we hier met een niet al te harde steensoort te maken hebben, maar met een “slecht” gesteente, dat gemakkelijk doormidden is te zagen, vaak vol barsten zit, gemakkelijk is te polijsten, simpel kapot is te slaan en snel verweert.
Vaak zijn de rapakivi’s aan de buitenkant erg verweerd waardoor er weinig fraais meer aan is te ontdekken. De ringen bestaan uit het mineraal plagioklaas. Dit mineraal verweert snel, waardoor de ronde gaten ontstaan. Bij doorzagen kan de binnenkant van de steen er best nog fris uitzien. Of op een doorgezaagd vlak de ringen ook goed zichtbaar zijn, is altijd afwachten. |
De rapakivigesteenten van de Ålandeilanden en Zuid-Finland zijn vanaf ongeveer 1,6 miljard jaar geleden in de aardkorst op de plaats van de huidige Ålandseilanden en Zuid-Finland gevormd. In die tijd was de aardkorst daar op enkele tientallen kilometers diepte heter dan dat tegenwoordig het geval is. Het gevolg was, dat gesteente op die diepte kon smelten en er enorme hoeveelheden gloeiend hete magma ontstonden. Deze hoeveelheden magma koelden heel langzaam af, waardoor de verschillende mineralen goed konden uitkristalliseren en de grote veldspaten van kaliveldspaat ontstonden.
Het bleef na de stolling echter onrustig in de aardkorst en men denkt dat er verschillende perioden van opsmelten en stollen zijn geweest, waardoor de speciale textuur van de rapakivi’s is ontstaan. Enkele verschijnselen vallen bij dit bijzondere gesteente extra op.
In de eerste plaats zijn dat de vaak ovale veldspaten. Dit is een zeer bijzondere vorm en de stolling moet dan ook onder bijzondere voorwaarden hebben plaatsgevonden.
Hetzelfde geldt voor de plagioklaasringen om de veldspaten. In gewone omstandigheden kristalliseert de plagioklaas voor of tegelijk met kaliveldspaat. De plagioklaas komt dan voor als insluitsels in de veldspaten of in de grondmassa tussen de veldspaten. Een ring van plagioklaas om de veldspaten heen is dan ook heel bijzonder. Te meer nog, omdat er ook kaliveldspaten zijn waarbij de ring ontbreekt.
Geologen hebben voor het ontstaan vrij ingewikkelde verklaringen, die we hier verder buiten beschouwing laten.
4. Welke stenen bedoelen we hier met rapakivi’s?
Onder andere Huisman en Bräunlich hebben enkele duidelijke kenmerken gegeven, waaraan volgens hen een zwerfsteen moet voldoen, als we het een rapakivi willen noemen.
Ze verdelen de rapakivi’s in twee soorten nl “Viborgieten” en “Pyterlieten” Viborgieten hebben plagioklaasringen om de veldspaten maar pyterlieten hebben dit niet.
In dit artikel beperken we ons tot de Viborgieten, dus rapakivi’s met plagioklaasringen.
5. Kenmerken van de rapakivi’s.
De rapakivi’s van de Ålandeilanden hebben echter veel kleinere veldspaateerstelingen dan de Viborgieten van de Finse zuidkust. Bovendien zijn de insluitsels in de ovoïden van de laatstgenoemde stenen vaak concentrisch gerangschikt. (Ze vormen duidelijk ringen. Via een foto komen we hier later op terug.)
b. Doordat de kristallisatie van het gesteente van magma naar gesteente in etappes heeft plaatsgevonden bezitten de stenen twee “generaties” kaliveldspaat- en kwartskristallen.
Op de foto’s zal hierop verder worden ingegaan.
c. Ålandrapakivi’s hebben een karakteristieke roodbruine kleur, waardoor ze over het algemeen goed zijn te onderscheiden van rapakivi’s uit andere gebieden.
d. Ålandrapakivi’s vertonen geen deformatieverschijnselen. Dit komt, omdat het magma waaruit het gesteente is ontstaan in een latere fase is gestold dan de gesteenten rondom.
Over wat met “deformatie” wordt bedoeld even iets meer.
Deformatie van gesteenten ontstaat kortgezegd, doordat een massief of een gedeelte daarvan in samenstelling verandert door enorme hitte of druk van gesteenten die in de onmiddellijke nabijheid van het massief worden gevormd.
Een paar in het ook springende vormen van deformatie zijn “slieren” in het gesteente of verbrijzelde mineralen. (kwartsen)
We geven a.h.v. enkele foto’s twee veel voorkomende deformatieverschijnselen aan.
|
|
De gneisgraniet rechts heeft witte, verbrijzelde kwartsklonters. Ook dit is een vorm van deformatie. Vindt men stenen met dergelijke kenmerken, dan is de kans dat het een rapakivi is, zo goed als uitgesloten.
We gaan de rapakivikenmerken nu verder bespreken m.b.v enkele afbeeldingen. Foto rechts is een uitvergroting van een deel van foto links. Onder de foto een verklaring van de aanwijzingen op de foto.
B. Roodachtige kaliveldspaat van de tweede generatie. Deze kaliveldspaat in de grondmassa is in een latere fase gestold dan die uit de ovoïde.
C. Ring van plagioklaas.
D. Plagioklaas in de grondmassa
E. Kwartkorrel van de eerste generatie. Deze vrijliggende kwartskorrels zijn nogal eens ovaal van vorm. De kleur is in deze steen wat grijsbruin. Er zijn echter ook stenen met donkere, grijze of zelfs blauwachtige kwartsen.
F. Kwarts van de tweede generatie. Deze kwart is gewoonlijk granofirisch vergroeid met de grondmassa. Vaak is dit met het blote oog duidelijk te zien, maar soms heeft men een loep nodig. Granofirische vergroeiing, ook wel micropegmatiet genoemd is een vergroeiing van kwarts en kaliveldspaat, waarbij de vormen van de kwarts de indruk kunnen wekken, dat men met oud Egyptisch schrift te maken heeft. Vandaar dat men stenen met grovere vormen dan ook “schriftgranieten” noemt.
Soortgelijke vergroeiingen (maar veel kleiner) van kwarts en veldspaat in de grondmassa zijn dus kenmerkend voor de Ålandrapakivi’s.
Hier zien we weer twee keer dezelfde steen. Links het zaagvlak van de complete steen en rechts de uitvergroting van een deel. Verklaring van de letters staat hieronder.
B. Kaliveldspaat in de grondmassa. (tweede generatie)
C. Plagioklaasring
D. Plagioklaas in de grondmassa
E. Kwartskorrel. (eerste generatie)
F. Met grondmassa vergroeide kwarts. (tweede generatie)
De granofirische vergroeiing van kwarts en veldspaat in de grondmassa is in deze steen met het blote ook duidelijk waarneembaar.
De rapakivi’s van de Ålandeilanden vertonen vele variëteiten. Bovendien zijn er tussen deze variëteiten ook nog veel overgangen. In veel gevallen is het dan ook moeilijk om aan te geven waar we op de Ålandeilanden de vaste rots van de gevonden zwerfsteen moeten zoeken. Hoewel verzamelaars van een aantal variëteiten op de eilanden stukken vaste rots hebben verzameld voor vergelijking, zullen we bij een vondst in veel gevallen toch niet verder komen dan de naam “Älandrapakivi”.
A Rapakivi met rode plagioklaas
Een opvallende rapakivi met rode plagioklaas. Zowel de ringen als de plagioklaas in de grondmassa zijn rood. Dit komt op Åland niet zo veel voor. Bovendien zijn de ovoïden vrij hoekig van vorm.
B Aland-Viborgiet
Ze zijn van de andere Ålandrapakivi te onderscheiden door:
-
Het geringe aantal granofirische vergroeiingen van veldspaat en kwarts in de grondmassa
-
Een vaak grotere omvang van de geringde ovoïden. Op het zaagvlak is dat helaas niet zichtbaar.
-
Een vrij groffe grondmassa met blauwgrijze kwarts en zwarte biotiet en hoornblendenesten.
Er zijn veel overgangen naar “normale” Ålandrapakivi
De Åland-Viborgieten zijn duidelijk minder groffe gesteenten dan hun soortgenoten uit Zuidoost-Finland.
C Rapakivi met donkere ringen. (Lumperland)
Links een zwerfsteen uit Nieuweschoot en rechts vaste rots van Langas op oostelijk Lumparland.
E Twee roodgevlekte rapakivi's
Links een zwerfsteen uit Friesland. Rechts vaste rots uit Vargata op Vårdö. Ålandrapakivi’s met rode vlekken komen veel voor.
F Twee heel verschillende typen
Linksonder een rapakivi met blauwe en grijze kwartsen. Rechts een sterk granofirisch type. Zwerfstenen uit Ureterp en Opende.
Misschien wel meer dan 90% van de rapakivi’s die we bij ons als zwerfsteen vinden zijn afkomstig van de Ålandeilanden. Maar onder onze zwerfstenen bevinden zich toch ook rapakivi’s uit andere delen van Scandinavië. Dit zijn naast Zuid-Finland, Angermanland in Noord-Zweden, het eiland Rödö en omgeving
in de Botnische Golf en de omgeving van Drammen ten zuidwesten van Oslo in Noorwegen.
De rapakivi’s uit deze gebieden hebben elk hun specifieke kenmerken en ze zijn gewoonlijk goed van de stenen van Åland te onderscheiden.
A Viborgiet van Ylämaa. (Zuidoost-Finland)
-
Het ontbreken van de typische roodbruine kleur van de Ålandgesteenten
-
De veel grotere ovoïden en een bredere plagioklaasrand
-
Ringen van donkere insluitsels in de ovoïden.
-
Een grondmassa met veel minder vergroeiingen van kwarts en veldspaat dan in de rapakivi’s van Åland.
B Rapakivi uit Noord-Zweden
De rapakivi hierboven heeft wel de kleur van de familieleden van de Ålandeilanden, maar met name de ovoïden zijn heel anders. Ze zijn klein en een aantal heeft een duidelijke (recht)hoekige vorm.
We hebben hier te maken met een steen die oorspronkelijk afkomstig is uit Noord-Zweden. Waarschijnlijk Angermanland.
Deze rapakivi komt oorspronkelijk van het eiland Rödö of omgeving. (Rödo ligt in de Botnische Golf vlak voor de Zweedse kust ter hoogte van Sundsvall.) Rödörapakivi’s zijn soms niet zo gemakkelijk te onderscheiden van de stenen van Åland. Bovendien zijn er allerlei variëteiten. Er zijn echter verschillen.
De kleur van Rödörapakivi’s is gewoonlijk baksteenrood, de ovoïden zijn vaak hoekig i.p.v. rond en de kwartsen rookgrijs. In deze steen zitten in de kwartsen opvullingen van rode kaliveldspaat. Rödögesteenten komen als zwerfsteen veel minder voor dan de stenen van Åland.
D Drammen-rapakivi
Ten slotte een rapakivi uit de omgeving van Drammen ten zuidwesten van Oslo in Noorwegen.
De rapakivi’s uit de omgeving van Drammen verschillen duidelijk van de Ålandgesteenten. De kleur is geheel anders. De stenen van Drammen zijn vaak rozerood. Meestal is bij rapakivi’s de ring om de ovoïden lichter gekleurd dan de ovoïde zelf. Bij Drammenrapakivi’s is dit vaak andersom. Ook bij deze steen is dat het geval. Men noemt dergelijke stenen daarom wel eens anti-rapakivi’s.
Verwisseling met Ålandgesteenten is onwaarschijnlijk. Bovendien zijn Drammenrapakivi’s als zwerfsteen zeldzaam.
9 Laat je niet foppen!!!
Tenslotte een steen die op het eerste oog veel van een rapakivi heeft maar het niet is.
Deze steen heeft een aantal duidelijke plagioklaasringen om een aantal veldspaten. De wat bruinrode kleur is echter geheel anders dan die der rapakivi’s In de granitische grondmassa bevinden zich talloze kwartsklonters. De tweede generatie kwarts (micro-pegmatiet) ontbreekt echter geheel. We hebben hier te maken met een Filipstadgraniet.uit het midden van Zweden. Soms worden dergelijke stenen gevonden, maar het aantal vondsten valt in het niet bij die der rapakivi’s. van Åland.
Naast de rapakivi’s van Åland zijn er nog enkele gesteenten van deze eilandengroep die regelmatig worden gevonden. We zullen in een volgend artikel aandacht besteden aan deze gesteenten.
Matthias Bräunlich. Website: Kristallin.de
Website: Meteoactueel.nl/Boek2.htm
H. Huisman: Zwerfsteenrapakivi’s nader bekeken. (Grondboor + Hamer febr. 1980)
De getoonde stenen komen uit eigen verzameling.
Peter Hofstee. Kootstertille. September 2010
Het strand van Sarup op het zuid Deense eiland Åls ligt bezaaid met Åland-rapakivi’s.
Zandstenen (en kwartsieten) in Noord-Nederland.
(Klik op de kleine afbeeldingen voor een grotere afbeelding)
Zandstenen en kwartsieten behoren over het algemeen niet tot onze meest opvallende zwerfstenen. Dat ze toch in aanmerking komen om eens beschreven te worden in een artikel komt omdat ze tussen onze zwerfstenen in grote aantallen voorkomen en er bovendien nog al eens mensen met vondsten komen om te vragen wat voor soort steen ze hebben gevonden.
Het is opvallend hoe vaak deze stenen bij graafwerkzaamheden of gewoon op het bouwland zijn te vinden. Vanmiddag kwam ik bij de jaarlijkse spitpartij van mijn groententuin twee steentjes tegen. Beide behoorden tot de zandstenen/kwartsieten.
We hebben “kwartsieten” tussen haakjes geplaatst, omdat over zandstenen gewoonweg veel meer is te vertellen.
In dit artikel zullen we verder ingaan op:
- Ontstaanswijze en samenstelling
- Herkomst van de stenen. Gidsgesteenten.
- Opvallende soorten zandsteen.
- Gebruiksvoorbeelden van zandstenen.
Ontstaanswijze en samenstelling.
Zandstenen.
Veel zandstenen zijn gevormd in ondiepe ondiep water. Dit valt af te leiden door de aanwezigheid in bepaalde typen van schelpfragmenten, kruipsporen van wormachtige dieren en golfribbels.
De zandstenen ontstaan, als afzonderlijke meestal uit kwarts en veldspaat bestaande zandkorrels, gaan verkitten met behulp van een bindmiddel. Deze afzonderlijke zandkorrels moeten een grootte hebben die ligt tussen de 0,625 mm en 2 mm, anders is de naam “zandsteen” niet van toepassing. Het bindmiddel kan bestaan uit kiezelzuur, kalk, ijzer en soms zelfs klei. Als de aaneengekitte zandkorrels onder zware druk komen te staan van dikke lagen jongere zandlagen, ontstaat ten slotte zandsteen. Gesteenten, die op een dergelijke wijze ontstaan noemen we “afzettingsgesteenten”.
Bij de zandstenen in de Noord-Nederlandse bodem is het bindmiddel meestal kiezelzuur. Versteend kiezelzuur is keihard en de betreffende zandstenen dus ook. Vandaar, dat men dit type zandstenen meestal kwartsitische zandstenen noemt. Zandstenen laten vaak een duidelijke gelaagdheid zien. Deze gelaagdheid ontstaat als er opeenvolgend zandlaagjes van wisselende samenstelling worden afgezet.
Het verschil in kleur en hardheid wordt veroorzaakt door verschillen in samenstelling van de zandkorrels (kwarts en veldspaat)
Het verschil in kleur schijnt te worden veroorzaakt door een verschil in ijzerverbindingen.
Kwartsieten.
Kwartsieten zijn nauw verbonden met zandstenen. Net het blote oog (en soms ook nog met een loep) is het verschil vaak niet waarneembaar.
Het verschil tussen kwartsieten en zandstenen is, dat bij het doorslaan van een steen met een hamer, de breuk bij zandstenen langs de versteende zandkorrels gaan, maar er bij een kwartsiet dwars doorheen gaan.
Kwartsieten zijn over het algemeen geen afzettingsgesteenten, maar ze ontstaan door omvorming (metamorfose) van zandsteen. Door sterke verhitting ten gevolge van druk van dikke bovenliggende lagen worden de oorspronkelijke korrels dusdanig met elkaar versmolten, dat er een zeer hard gesteente ontstaat.
Dergelijke gesteenten noemen we metamorfe- of omzettingsgesteenten.
Kwartsieten bestaan voor verreweg het grootste deel uit het mineraal kwarts. Soms komen insluitsels voor van mineralen als kwarts, pyriet en glimmer.
De eerder genoemde kwartsitische zandstenen, die ook zeer hard zijn, horen net als zandstenen bij de afzettingsgesteenten.
Zandstenen zijn over het algemeen zeer oude gesteenten. De zandstenen uit Midden-Zweden zijn over het algemeen ontstaan in het Précambrium (ongeveer 1200 miljoen jaar geleden)
De zandstenen uit Zuid-Zweden zijn vooral ontstaan in het Cambrium. (Ongeveer 550 miljoen jaar geleden)
Kwartsiet. Twee keer dezelfde steen. De hardheid straalt als het ware van het gesteente af.
Herkomstgebieden van de stenen. Gidsgesteenten.
De meeste zandstenen en kwartsieten in Noord-Nederland zijn afkomstig uit Midden- en zuid-Zweden. Tijdens de Saale-ijstijd (240.000 – 130.000 jaren geleden) zijn ze hier samen met alle andere soorten zwerfstenen door het landijs naar onze gebieden getransporteerd.
In met name Oost-Nederland komen wel eens zandsteensoorten voor, die voor het begin van de Saale-ijstijd door grote rivieren vanuit het oosten (Duitsland) naar Nederland zijn getransporteerd, maar deze stenen zijn verre in de minderheid. (préglaciaal) en we laten ze hier dan ook buiten beschouwing.
(L)Voornaamste herkomstgebieden van de zwerfsteen.
(R)Mångsbodarna zandsteen. Gelaagd gidsgesteente uit Dalarna.
Over het algemeen zijn onze zwerfstenen afkomstig van rotsen uit Midden-/ of Zuid-Zweden. Op het kaartje hierboven zijn de belangrijkste herkomstplaatsen aangegeven. Het zijn Dalarna, de Oostzeebodem, de Kalmarsund en omgeving, Schonen in Zuid-Zweden en het eiland Bornholm. Veel zwerfstenen van zandsteen kunnen we niet rekenen tot de z.g. “Gidsgesteenten” omdat ze uit verschillende gebieden afkomstig kunnen zijn. Rode en paarse zandstenen zijn waarschijnlijk vaak afkomstig uit Dalarna, maar gelijksoortige stenen komen ook voor in het Oostzeegebied.
Van enkele soorten is wel met bekend waar de rotsen zich bevinden en dergelijke zwerfstenen kunnen we dan ook beschouwen als gidsgesteenten. Het bekendste gidsgesteente is de “Buizenzandsteen”. Officiële naam: “Skolithoszandsteen”.
Dit gesteente met kruipsporen (buizen) van wormachtige dieren wordt ook geregeld in Noord-Nederland gevonden. Er bestaan een groot aantal soorten en alleen al van dit gesteente kan men een complete studie maken. De stenen zijn afkomstig van de Kalmarsund tussen Zweden en het eiland Öland. De stranden hier liggen bezaaid met dit soort stenen. Buizenzandstenen komen ook voor in Estland.
De aanwezigheid van de kruipsporen in de stenen tonen aan, dat de stenen zijn gevormd in ondiep zeewater, omdat de voor de sporen verantwoordelijke dieren alleen in dit milieu voorkwamen. De meest voorkomende soorten zijn grijsbruin van kleur. We laten twee foto’s zien. Op de eerste zien we duidelijk de verschillende buizen. Op de tweede foto zien we de “bovenkant”. De ronde buizen zijn duidelijk zichtbaar.
|
|
|
Buizenzandsteen. Zaagvlak. (Kootstertille ) |
"Bovenkant" van een Buizenzandsteen uit
|
Ook veel gelaagde zandstenen zijn afkomstig uit de omgeving van de Kalmarsund. Ze kunnen echter ook uit Dalarna afkomstig zijn. In de gelaagde zandstenen zijn de verschillende zandlaagjes duidelijk te zien. Verschillende geologen beschouwen ijzerverbindingen als de oorzaak van de verschillende kleuren.
Ook de z.g. “vlekkenzandstenen” komen als zwerfsteen nog al eens voor. De rode typen schijnen vooral afkomstig te zijn uit Dalarne, terwijl de meer paarse typen vooral uit de Botnische Golf afkomstig schijnen te zijn. Echter…. Er schijnen ook weer uitzonderingen te zijn. Je kunt je dan ook afvragen of de z.g. “Dalazandstenen” wel zijn te beschouwen als echte gidsgesteenten.
![]()
(L)Gelaagde zandsteen. Waarschijnlijk afkomstig van
rotsen uit de Kalmarsund.
Bij de gidsgesteenten uit Scandinavië missen we de kwartsieten. Alleen in Zuid-Nederland kunnen we een gidsgesteente tegenkomen, die bij de kwartsieten hoort. Het is de Revinienkwartsiet, die afkomstig is uit België.
Opvallende soorten zandsteen.
Er zijn nog veel meer soorten zandstenen. We besteden hier kort aandacht aan enkele opvallende soorten, die echter zeldzaam zijn, maar ook in Noord-Nederland zijn te vinden.
Gebruiksvoorbeelden van zandstenen.
Zandstenen zijn al duizenden jaren door de mensen in gebruik. Duizenden jaren geleden wist men al haarfijn, dat zandstenen (soms ook kwartsieten) goed gebruikt kunnen worden voor het in model kloppen van vuurstenen werktuigen en het “malen” van noten en vruchten. Het meest voorkomend zijn waarschijnlijk de z.g. “klopstenen” waarmee men de vuurstenen werktuigen in het juiste model bracht.
![]()
Klopsteen (links) en klop-/wrijfsteen rechts.
Op de kwartsiet (rechts) zijn op de voorste
punt iets naast het midden de afslagen te zien
die tijdens het kloppen zijn ontstaan.
Met de vlakke bovenkant konden zaden
en vruchten worden fijngewreven.
(Collectie Jan Hagens, Surhuisterveen)
Nog twee stenen uit de collectie Hagens. De zandsteen links is een wrijfsteen. Dit is duidelijk te zien aan de platte bovenkant. De steen is te groot voor een klopsteen.
Alle vier stenen uit de collectie Hagens zijn zijn gevonden in Oost-Friesland in de omgeving van het Koningsdiep.
De hier beschreven uitleg is ook geschreven aan de hand van een mondelinge toelichting van dhr. Hagens.
Dit rechthoekige slijpsteentje uit de collectie van Hagens werd waarschijnlijk zo'n honderd jaar geleden nog gebruikt voor het slijpen van kleine voorwerpen. |
Bij het zagen van natuursteen is het doorzagen van een zandsteen nog steeds een prima middel om de diamantzaag te scherpen. Ook de mensen uit de préhistorie waren (uiteraard) goed met de slijpeigenschappen van de zandstenen op de hoogte. Men wist duizenden jaren geleden al, dat zandstenen door hun vaste en korrelige structuur uitstekend geschikt zijn voor het bewerken van vuurstenen. Ook werden zandstenen gebruikt voor het polijsten van vuurstenen pijlschachten.
Met het gebruik van zandstenen door de steenhouwer is het echter afgelopen. Zo’n vijftig jaar geleden is er een Arbowet van kracht geworden, die het bewerken van zandstenen verbiedt. De reden hiervan is, dat zandsteen voor een zeer groot deel bestaat uit kwarts. Krijgt men de fijnste deeltjes, die ten gevolge van bewerking ontstaan, in de longen, dan is er de kans dat men na vele jaren de ziekte silicose (stoflongen) zal krijgen en op deze na verloop van tijd dodelijke ziekte zit niemand te wachten.
Het verbod geldt niet voor kwartshoudende stenen zoals graniet.
Kootstertille. Peter Hofstee.
GESTEENTEVORMING IN FRIESLAND. (Klik op de kleine afbeeldingen voor een grotere afbeelding)
Kunnen wij in Friesland stenen vinden, die in het gebied zelf zijn gevormd of zijn alle aanwezige zwerfstenen van elders aangevoerd, met name uit Scandinavië door het landijs?
Ik ben opgegroeid bij Heerenveen in de buurt van het riviertje de Tjonger. Als schooljongens waren we nog al eens te vinden bij het gekanaliseerde riviertje. In het voorjaar was een bepaalde plek nogal interessant vanwege de eendeneieren die daar volgens ons volop zouden moeten liggen. Het was een buitendijks, drassig stuk land met daarin een door rietkragen omzoomde meander van de vroegere Tjonger.
Als we daar zo rondstruinden viel het oog wel eens op kleine steentjes, die helemaal verroest waren en er onooglijk uitzagen. Onze belangstelling hiervoor was dan ook minimaal.
De jaren gingen echter voorbij en ondertussen was mijn belangstelling gewekt voor de namen en herkomst van onze zwerfstenen. Toen men dan ook zo’n veertig jaar geleden met een zandzuiger de Tjonger ging uitdiepen, zocht ik op het stort nog wel eens naar interessante stenen. Hier maakte ik opnieuw kennis met de “verroeste” stenen, die ik tijdens mijn kinderjaren enkele honderden meters verderop was tegengekomen. Inmiddels was ik er uiteraard achtergekomen, dat ik hier met ijzeroer had te maken. Enkele wat grotere stukken heb ik meegenomen. (Zie de foto hieronder)
IJzeroer is een roestig gekleurd, zacht gesteente, dat bestaat uit een mensel van ijzer, vooral het ijzermineraal limoniet, en (in dit geval) zand of veen. De stukken die ik heb gevonden zijn nogal plat.Ze zijn waarschijnlijk zeer dicht bij de vindplaats gevormd en hebben mogelijk deel uitgemaakt van een grotere plaat, die tijdens het zandzuigen is vernield. IJzeroer is beslist niet zeldzaam. Het schijnt zelfs voor te komen in platen tot 50 cm dikte. Voorkomens zijn/waren in grote delen van Nederland heel normaal. Hierover later meer.
Hoe is dit gesteente nu eigenlijk ontstaan?
IJzeroer ontstaat, als ijzerverbindingen uit water, afgezet worden in zand, veen of klei, waar het water mee in contact komt. Een dergelijk gesteente noemen we, evenals bijv. kalk- en zandsteen, een afzettingsgesteente. Vorming van ijzeroer kan soms al in enkele tientallen jaren plaatsvinden. De meest ideale plaats zijn moerassige beekdalen in zand- of veengronden, waar tijdens drogere perioden de voor de oxidatie benodigde zuurstof goed door kan dringen.
Niet alle soorten water bevatten echter voldoende ijzer voor oervorming.
De ideale soort water is z.g. kwelwater. Kwelwater is grondwater dat van elders afkomstig is en dat zich zeer langzaam over schuine moeilijk doordringbare lagen in de bodem (bijv. keileem of potklei) naar lagergelegen gebieden beweegt, waar het tenslotte aan de oppervlakte komt of in sloten/beken stroomt.
Soms legt het water ondergronds grote afstanden af. Zo schijnt veel van het kwelwater uit de Rohelster Mieden afkomstig te zijn van het Drentse keileemplateau.
Tijdens de lange weg door de ondergrond neemt het kwelwater o.a. veel ijzermineralen op (limoniet). Als dit water in een sloot aan de oppervlakte komt, dan kleurt de sloot gewoonlijk (oranje)bruin van het ijzeroxide en is er neerslag van oer.
Als het water (bijna) helemaal stilstaat vormt zich op het water vaak een blauwachtig laagje, dat op olievervuiling lijkt.(Zie foto) Dit zijn bacteriën die meewerken aan de oxidatie. (ijzer, zuurstof) Zo’n grotendeels bruine, met olievlekachtige stukken afgewisselde waterloop geeft een wat vieze indruk. Dit geldt echter alleen voor het oog, omdat we hier verder te maken hebben met helder water.
De vlek ijzerbacteriën is duidelijk zichtbaar.Zowel slootbodem
als water zijn bruin van kleur.
Dat een dergelijke sloot kwelwater bevat is het duidelijkst waarneembaar in de winter. Omdat kwelwater een hogere temperatuur heeft dan ander water bevriezen de sloten/beken die dit water afvoeren minder snel dan andere sloten, zelfs als we met stilstaand water hebben te maken. De hier getoonde foto’s zijn gemaakt tijdens een vorstperiode in een sloot t.n.v. Skûlenboarch (Schuilenburg) De sloot ligt dicht in de buurt van een verhoging in het landschap tussen Kootstertille en Jistrum (Eestrum). Aangezien de keileem zich in dit gebied vrij dicht onder het maaiveld bevindt, is het misschien mogelijk, dat het kwelwater langs de bovenkant van de keileemlaag in de sloot is terechtgekomen en dus niet zo’n lange weg heeft afgelegd. Uiteraard is de kans ook groot, dat het kwelwater een veel grotere afstand heeft afgelegd.
Vindplaatsen en gebruik van ijzeroer.
IJzeroer komt voor in veel drassige/moerassige beekdalen in de dekzandgebieden in het zuiden, oosten en noorden van ons land.
Het industriële gebruik van ijzeroer langs de Oude IJssel in de Achterhoek is misschien wel het meest grootschalige op dit gebied, dat in ons land heeft plaatsgevonden. Nu nog
bestaande bedrijven hebben daar hun lokatie te danken aan de vroegere winning van het ijzeroer.
Maar ook in Friesland is genoeg gebruik gemaakt van dit gesteente. Langs de riviertje Linde en Tjonger heeft men het ijzeroer lange tijd ontgonnen.
We kunnen echter nog dichter bij huis blijven. In De Mieden in Achtkarspelen komt veel kwelwater aan de oppervlakte. De naam IJzermieden, een gebied tussen Blauferlaat en Gerkesklooster, zegt al genoeg. Ook hier is in het verleden ijzeroer gedolven.
Geen ijs te bekennen. De bruine
afzettingen zijn duidelijk zichtbaar
We zijn begonnen om ons af te vragen of in Friesland ook gesteentevorming plaatsvindt. Dit is dus nog steeds zonder meer het geval. Op verschillende plaatsen vond en vindt nog steeds ijzeroervorming plaats. En zwerfstenen van Friese oorsprong? Die zijn er ook. Het afgebeelde stuk ijzeroer wordt tot de zwerfstenen gerekend, ondanks het feit, dat het gesteente waarschijnlijk dichtbij de vindplaats door oxidatie en afzetting is gevormd.
IJzeroer heeft veel namen. Enkele voorbeelden: moerasijzererts; ijzersteen; moeraserts; moddererts; weide-erts.
Peter Hofstee, Kootstertille.
OMHOOG
Zweedse Helsinkiet, Myloniet of Metasomatiet.
(Klik op de kleine afbeeldingen voor een grotere afbeelding)
Onlangs vond ik een zwerfsteen die ik de moeite van het meenemen waard vond. In een grijze grondmassa van de steen zaten prachtige grote rode plagiopklazen. Ik herinnerde mij het soort gesteente van één van de collecties die ik in de afgelopen jaren had gezien en meende een Helsinkiet te herkennen. Met de beperkte studie die ik in het verleden van zwerfstenen had gemaakt onder bezielende leiding van Henk Jager uit Wolvega en Jelle de Jong uit Drachten kwam ik er niet uit. Dus kwam de steen op tafel bij een determinatiedag in het IJstijdenmuseum. Jan Veenstra uit Veenwouden beoordeelde de zwerfsteen maar kwam er niet uit. Eerst maar even zagen en slijpen oordeelde hij. Daarna kunnen we zien wat het precies is. Peter Hofstee uit Kootstertille was bereid de steen te zagen en deze te polijsten. Na dit karwei vroeg ik hem of hij de steen kon plaatsen en een naam kon geven. Hij wist het niet zeker maar volgens hem was de grootste kans dat het hier zou gaan om een Zweedse Helsinkiet. Een eerste naam die enigszins overeenkwam met mijn eerste herkenning van de zwerfsteen.
Vervolgens nam ik een aantal foto,s van de inmiddels door Peter Hofsteen gezaagde en gepolijste zwerfsteen. De digitale foto,s zond ik naar Jelle de Jong in Drachten en de bekende zwerfsteen deskundige Harry Huisman in Lieverden
Van beide zwerfsteen kenners kreeg ik per omgaande een naam voor de door mij gevonden steen aangeleverd. Volgens Jelle de Jong zou het een Myloniet kunnen zijn en zeker geen Zweedse Helsinkiet. Hij vermeldde er nog bij dat niemand eigenlijk weet waar dergelijke stenen vandaan zijn gekomen. Harry Huisman ging iets verder. Het is duidelijk te zien dat je hier een metasomatiet hebt schreef hij. Volgens Harry een matamorf gesteente dat vanuit een vast toestand door stoftransport en dito afvoer, van samenstelling en uiterlijk is veranderd. Vroeger werden deze stenen Zweedse Helsinkieten genoemd schreef Harry en vormen ze in tegenstelling tot de Finse Helsinkieten een heterogene groep waarvan de herkomst nooit is vast te stellen. Ze komen op verschillende plaatsen voor en de naam Zweedse Helsinkiet zou eigenlijk niet meer voor dit soort stenen gevoerd mogen worden.
Een aantal opmerkelijke aanwijzingen die mij duidelijk heeft gemaakt dat sommige zwerfstenen moeilijk thuis zijn te brengen naar de plaats van herkomst in de Scandinavische landen. Ik denk daarom ook dat deze zoektocht naar de naam van de gevonden zwerfsteen nog wel een vervolg zal gaan krijgen.
Jan F.Kloosterman
RHOMBENPORFIEREN EN OSLO BASALTEN.
(Klik op de kleine afbeeldingen voor een grotere afbeelding)
In het IJstijdenmuseum heeft Peter Hofstee uit Kootstertille in één van de vitrines een collectie rhombenporfieren tentoongesteld. Peter is een verwoed zwerfsteenverzamelaar en heeft thuis een enorme collectie zwerfstenen opgeslagen. Het grootste deel van zijn omvangrijke collectie bestaat uit gezaagde en gepolijste stenen. Het zagen en polijsten vindt plaats in de garage achter de woning.
Peter wijkt voor wat het verzamelen betreft toch wel iets af van de stiensjesikers in de Friese wouden. Jaarlijks trekt hij naar Denemarken om daar op de stranden te zoeken naar rhombenporfieren. De fraaie tekening van deze stenen bestaande uit rechthoekjes en ronde cirkeltjes van een andere kleur genieten zijn voorkeur. Aan de kusten van Denemarken zijn die nog te vinden, dit in tegenstelling van Fryslân, waar dit soort zwerfstenen sporadisch voorkomen.
In samenspraak met het stichtingsbestuur is besloten om in 2009 wat meer te laten zien van deze prachtige stenen in het IJstijdenmuseum. Voor deze gelegenheid heeft Peter een veertigtal prachtige gezaagde en gepolijste rhombenporfieren opgesteld in een vitrine van het museum. Een bijgevoegde tekst geeft uitleg over deze bijzondere zwerfstenen.
Of dit nog niet genoeg was heeft Peter ook nog twee enorme keien, beiden rhombenporfieren, naast de vitrine opgesteld. De ene kolos heeft hij vanaf onder aan een klif naar boven moeten torsen waarbij hij een afstand van 40 m hoogte moest overbruggen. Sommige verzamelaars hebben dat er voor over. Peter dus ook.
Voor wie geen genoeg kan krijgen van deze mooie stenen hebben we er een aantal te koop. Speciaal door Peter Hofstee gezaagd en gepolijst. Mooi om in een verzameling te hebben of als gezaagde plak op tafel als onderzetter te gebruiken.
Vanaf 4 april tot 31 oktober zijn de rhombenporfieren te bezichtigen in het IJstijdenmuseum.
Verfsteen.
(Klik op de kleine afbeeldingen voor een grotere afbeelding)
Jan van der Bij uit Buitenpost bracht kort geleden een ronde steen met een gladde onderkant in het IJstijdenmuseum. Volgens van der Bij is de steen een verfsteen die in vroegere tijden werd gebruikt om verf te mengen. Hij had de steen al jaren in zijn voortuin liggen. Omdat in het IJstijdenmuseum veel bewerkte zwerfstenen liggen zou daarbij de verfsteen ook kunnen passen. Onderzoek naar de verfsteen bracht aan het licht dat dergelijke stenen vanaf de middeleeuwen tot aan begin 1900 werden gebruikt bij het verf mengen. Lou Tiemersma , schilder te Buitenpost bleek in zijn collectie nog een boekje over verfbereiding uit 1913 te bezitten. In dat boek heeft de schrijven C.P.van der Hoek, een hoofdstuk gewijd aan het wrijven der verven. In één van de hoofdstukken van het boekje toont hij de noodzaak aan van het wrijven van verven. Het wrijven geschiedt volgens de schrijver op een stenen of glazen plaat met de afmetingen van 70 x 70 cm of van 100 x 100 cm. Grondstof voor deze vlakke platen kan wit marmer, hardsteen, porfier of glas zijn. De plaat waarop de verf gewreven wordt noemt de schrijver de wrijfsteen of wrijfplaat. De steen waarmee de verf gewreven dient te worden wordt aangeduid als een loper. De onderkant van die loper moet zuiver glad zijn om een goede bewerking te verkrijgen. De vorm van de loper moet gemakkelijk hanteerbaar zijn waardoor een flinke drukking zonder al te veel krachtsinspanning verkregen kan worden.
In Nederland worden volgens de schrijver veel kei modellen gebruikt als loper. Deze soort kei modellen vertoont het nadeel dat ze een te klein wrijfoppervlak hebben.
Met de loper moet de droge massa verfstof op de wrijfsteen fijn gewreven worden. Daarna kan de fijn gewreven verfstof innig vermengd worden met een bindmiddel waarbij lijnolie de voorkeur verdient.
De verfsteen of loper, die gezien de sporen door een steenhouwer is gehakt uit een zwerfsteen en daarna van een vlakke onderkant is voorzien, vertoont nog duidelijke sporen van verfresten. Voor het IJstijdenmuseum is de “verfsteen” een zeer welkome aanvulling op de collectie. De steen zal in één van de vitrines ten toon gesteld worden tezamen met enige stukken puimsteen. Puimsteen was zoals bekend het vroegere schuurpapier van de schilder. Daarmee werden alle oppervlakten geschuurd die een verfje verdienden.
OMHOOG
Nieuwe zwerfsteensoort
(Klik op de kleine afbeeldingen voor een grotere afbeelding)
Voordat ik in de archeologie dook hield ik mij bezig met het verzamelen van zwerfstenen die tijdens de voorlaatste ijstijd door de enorme ijskap in onze omgeving zijn afgezet. Samen met anderen verzamelde ik noordelijke zwerstenen die vervolgens gedetemineerd werden, daarna gezaagd en geslepen.Toen ik eenmaal besmet raakte met de archeologie bleef er eigenlijk geen tijd meer over voor het verzamelen van zwerfstenen. Toch neem ik af en toen een Zwerfsteen mee naar huis. Dat zijn vaak de fraaie exemplaren waar ik tijdens het zoeken naar archeologische werktuigen op de akkers tegenaan loop.
In de afgelopen zomermaanden was men in de omgeving van mijn dorp volop bezig met de aanleg van een nieuwe gasbuis. Bij de aanleg van die gasbuis, die een verbinding vormde tussen de noordelijke gasvelden en het zuiden van Nederland, werd veel grond verzet. Op veel plaatsen werd er in het keileem gegraven dat is achtergebleven in die laatste ijstijd. In het keileem zijn vaak de zwerfstenen te vinden. De Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) die de gasbuis aanlegde had overal grote verbodsborden geplaatst. Ondanks dat heb ik mij af en toe toch even op de terreinen waar de buis werd gelegd, gewaagd . Samen met Jan Huizenga zoch ik op een mooie zomeravond naar archeologische werktuigen op een terrein waar de NAM bezig was. Die werktuigen werden door ons niet gevonden. Ik vond echter wel een mooie zwerfsteen die ik interessant genoeg vond om nader te bestuderen. Het is een bruin exemplaar waarbij het lijkt of er allemaal losse insluitsels aan elkaar zijn geklit. Een eerste onderzoek maakte mij niets wijzer.
Als ik er zelf niet uit kan komen met een onderzoek, door de kenners determinatie genoemd, schakel ik de oude rotten in. In dit geval dus ook. Jan Veenstra uit Veenwouden kreeg de gevonden zwerfsteen van mij mee voor verder onderzoek. Hij vroeg mij vooraf of hij de steen mocht zagen en er zelf ook een deel van mocht houden. Het was voor mij geen probleem en dat vertelde ik hem dan ook. Na een aantal weken kwam Jan Veenstra bij het IJstijdenmuseum om mij de uitslag van het onderzoek te vertellen. Volgens Jan Veenstra had ik een interessante steen gevonden. Zo interessant dat de zwerfsteen in vier delen was gezaagd. Drie van die delen had hij gedeeld met zijn vrienden die hij ook had gevraagd voor het onderzoek. Een vierde deel kreeg ik terug met een beschrijving die als volgt luid:
Naam van de Zwerfsteen: Eruptieve - Breksie.
Omschrijving: Gesteente met donker hoekige zowel meer afgeronde feltsietische insluitsels en een tussenmassa van kwarts, epidoot,chloriet en rode porfier in mylonietische structuur. Hier en daar een verdwaalde kwarts soms verstoord in het uitvloeiingspatroon. Verklaring: Feltsiet is een omzetting van kwartsporfier. Het is vooral bekend van de Botnische golf, van kwartsporfieren en de Elfdalenporfieren van Dalarna. Voelt zacht aan en heeft een schelpachtige breuk en is een zeer hard gesteente.
Myloniet wil zeggen dat het een verbrokkeld of versplinterd gesteente is, in dit geval een porfier. Het is een kenmerk van een breksie.
Een hele mond vol dus over deze zwerfsteen die nog niet eerder hier werd aangetroffen en ook nog niet is omschreven in de boeken van Van der Lijn en Zandstra. De zwerfsteen zal in de komende wintermaanden een plekje krijgen in één van de vitrines in het IJstijdenmuseum.
Amfiboliet.
(Klik op de kleine afbeeldingen voor een grotere afbeelding)
Door Jan Kloosterman
|
|
De vondst van Jan Kloosterman |
Begin januari 2006 vond ik ten noorden van Zwaagwesteinde een prachtige grijs/witte zwerfsteen. De steen kwam uit het keileem en was daardoor niet geërodeerd. Thuisgekomen ging ik natuurlijk de steen op soort onderzoeken. Daar kwam ik niet helemaal uit. Mijn onderzoek leidde tot hoornblende schalie of een soort gneis maar welke dat zou kunnen zijn, daar kwam ik ook niet helemaal uit. Vanuit de geologenkring Friesland ken ik Jan Veenstra uit Veenwouden. Hij staat bekend als kenner op het gebied van zwerfstenen en veel zwerfsteenzoekende liefhebber maken al lang graag gebruik van zijn kennis.
Jan Veenstra was er na enige bestudering met een loep al snel uit. Een fraaie fijn gestructureerde amfiboliet was zijn oordeel. Toen kon ik dus verder met mijn onderzoek. In het keienboek van P.van der Lijn vond ik een uiteenzetting van de amfiboliet. Uit zijn beschrijving bleek dat ik er niet zo ver naast zat met het onderzoek dat ik zelf al had gedaan. Hij omschreef al dat amfibolieten overeenkomst vertonen met gneizen maar dat ze zijn te onderscheiden door het gemis aan kwarts. Van hoornblende schisten verschillen ze door het gehalte aan veldspaat mineralen. Hoofdbestanddelen van de amfiboliet zijn volgens Van der Lijn gewoonlijk amfibool, plagioklaas en een enkele maal een combinatie van die twee mineralen met augiet of granaat.
Het eerste was bij de door mij gevonden zwerfsteen het geval. In de steen waren tientallen prachtige glinsterende zwarte augiet mineralen aanwezig. Jan Veenstra liet mij een zwerfsteen uit zijn collectie zien waarin granaat aanwezig was. Volgens Jan Veenstra had ik een prachtige vondst gedaan en was de door mij gevonden zwerfsteen de moeite waard om in mijn verzameling te worden opgenomen.
Jan Veenstra temidden van zijn enorme collectie zwerfstenen.
Amfiboliet als werktuig
Van der Lijn omschreef in zijn Keienboek al dat amfiboliet een moeilijk splijtbaar en taai gesteente is. De oorzaak daarvan is dat amfiboliet is ontstaan bij hoge temperaturen waarbij het gesteente smolt en bij afkoeling zich vormde. Amfiboliet komt over onze hele aardbol voor en is door de mindere splijtbaarheid en de taaiheid ook over de hele aardbol gebruikt voor stenen werktuigen. De amfibolieten die in Noord Nederland worden gevonden zijn zonder uitzondering afkomstig uit de Scandinavische landen. Ze werden in de prehistorie bewerkt tot bijlen, dissels en hamers bewerkt.Ook in Nederland zijn heel veel vondsten bekend van werktuigen van amfiboliet.
Tijdens een opgraving van een bandkeramische opgraving bij Rosmeer werden daar maar liefst 61 dissels of gedeelten van dissels opgegraven die bestonden uit amfiboliet. In een artikel over stenen rolhamers en hamerbijlen in archeoforum van Klaas Henstra, directeur van het Streekmuseum Burgum, worden ook een aantal rolhamers en hamerbijlen genoemd van amfiboliet. In de polder Waard-Nieuwland in de Wieringermeer werd een fraai geslepen stenen bijltje van amfiboliet bij een opgraving naar boven gehaald. Op de fraaie wegsite van Huub Schmitz, is een artikel te vinden over een drietal stenen bijlen van amfiboliet. De bijlen zijn in zijn collectie aanwezig.
Rechts: een vroeg neolitisch bijltje van ambifoloiet uit de bandkeramiek periode
Mideen: een lensvormig bijltje van ambifoliet uit het midden neolithicum
Links: een fraai neolitisch bijltje van ambifoliet
OMHOOG
Een unieke zwerfsteenvondst.
(Klik op de kleine afbeeldingen voor een grotere afbeelding)
Op dinsdag 4 april maakten enige stichtingsbestuurders van het IJstijdenmuseum te Buitenpost, een archeologische excursie in de omgeving van Steenwijkerwold. Piet Wiersma en Kees Wijnberg van de archeologische vereniging in Steenwijkerwold fungeerden als gidsen in het gebied. Daarbij werd onder anderen een bezoek gebracht aan de grafheuvels op de Bult ten oosten van Steenwijk. Er liggen daar nog een twintigtal grafheuvels die door de werkgroep grafheuvels goed onderhouden worden. Sommige daarvan zijn nog helemaal intact en anderen zijn onderzocht. Verder liggen er in de bossen op de Bult nog een aantal honderden meters lange karrensporen uit de middeleeuwen. Een archeologisch interessant gebied dus. Jan Kloosterman die een van de akkers waarin Staatsbosbeheer rogge had gezaaid, afstruinde vond daar een bijzondere steen. De steen werd herkend als een soort diabaas met grote stukken plagioklaas. Ondanks de kennis die er in de groep aanwezig was en het raadplegen van keienboeken gelukte het niet om de steen te plaatsen. Als laatste werd een beroep gedaan op Hendrik Heidstra uit Veenwouden. Hij bracht het verlossende antwoord. Een zeer, zeer zeldzame zwerfsteen vond Heidstra. De meeste verzamelaars van zwerfstenen hebben deze soort niet in hun verzameling. Het is een Alsarp Diabaas. Heidstra zelf had deze soort zwerfsteen jaren geleden ook zelf gevonden. De vindplaats van de steen van Hendrik Heidstra was Drogeham. Omdat hij zelf ook in het bezit was van een zeldzaam exemplaar was het voor hem ook mogelijk om de zwerfsteen die door Jan Kloosterman op de Bult was gevonden, te determineren.
In het keienboek van P.van der Lijn staat een korte omschrijving van de Alsarp Diabaas. De steen is volgens de beschrijving een diabaas, grijszwart, fijnkorrelig en voorzien van de typische fijnkorrelige ophietische structuur met een bazaltisch uiterlijk. De insluitsels in de steen zijn rond en van veldspaat en kwarts. Ze liggen ter grootte van 1 – 4 cm ingesmolten als resten van ogengneis. De kleine kwartsen die in de steen liggen zijn donker en onopvallend. Dat de steen zeldzaam is komt door het feit dat de plaats van herkomst een slechts 5 m dikke gang stollingsgesteente in de Alsarpgebergte in Karmaland is.
Foto's. De Alsarp diabaas. Aan de bovenzijde wit door erosie. Aan de onderzijde bruinwit
door invloeden uit het veen.
HANNEKEMAAIERS EN KIEPKERELS.
(Klik op de kleine afbeeldingen voor een grotere afbeelding)
Tussen 1600 en 1900 trokken ongeschoolde arbeiders en arme boeren vanuit Duitsland en Oostenrijk naar het rijke Nederland, om daar hun kost te verdienen. Ze waren vaak alleen in het bezit van een zeis die ze op hun reis over de schouder meevoerden. Doorgaans bleven ze een maand of drie in Nederland en maaiden voor de rijke Nederlandse boeren het gras op de weilanden. Het waren in het noorden van Nederland vooral de Duitsers uit de omgeving van Westfalen en Nedersaksen die via Drente naar de Friese greidhoek trokken om daar in de zomermaanden geld te verdienen. In wezen waren deze maaiers, in de volksmond “Hannekemaaiers” genoemd, de eerste gastarbeiders in Nederland. In hun voetspoor kwamen vanuit Duitsland de marskramers naar Nederland. Dezen kregen de naam van “Kiepkerels”. De nazaten van deze marskramers zijn nog steeds terug te vinden in Nederland. Namen als Vroom en Dreesman, Brenninkmeijer, Lampe, Vos, Sweigman en Poiesz, herinneren nog steeds aan de roemruchte tijd van de kiepkerels uit de vorige eeuwen. De Duitsers kregen in Noord Nederland de naam “pûp” of “poep” De hannekemaaiers en de kiepkerels hebben ook in Noord Nederland hun sporen achtergelaten. In de 16e en 17e eeuw was het een woelige tijd in Nederland en de terugkerende hannekemaaiers met het zuur verdiende geld van het maaien, waren een prooi voor rovers en bandieten. Een aantal van hun werd dan ook vermoord en beroofd. Hier en daar zijn daar de stille getuigen nog van terug te vinden in het Friese landschap.
Op hun weg van Duitsland naar Friesland markeerden zij de looproutes met zwerfstenen waarin zijn een kruis hakten. Die kruizen worden “pûpekruizen” genoemd.
Foto: Een pachtige rode graniet
herinnert aan het feit dat er aan
de Harstewei onder Jistrum een
Hannekemaaier is vermoord.
Hottefyle (Klik op de kleine afbeeldingen voor een grotere afbeelding)
Thijs Zuidema uit Twijzel bracht een aantal weken geleden een langwerpige zandstenen voorwerp in het IJstijdenmuseum. Het stenen voorwerp had aan beide lengte zijden heel veel krasjes. Volgens Zuidema zou de steen gebruikt kunnen zijn voor het slijpen van messen of iets dergelijks. De zwerfsteen deskundige van het IJstijdenmuseum Jan Veenstra uit Veenwouden werd ingeschakeld om het stenen voorwerp thuis te brengen. Toen Veenstra de steen had bekeken stelde hij vast dat het hier om een “hottefyle” ging scherpen. De vele krassporen op het voorwerp tonen dat aan.Voor het IJstijden- museum is dit nieuwe stuk stenen historisch gereedschap een zeer welkome aanvulling op de andere stenen gereedschappen die in het museum worden tentoongesteld.
De krasjes die het stenen voorwerp dwars op de lengte richting had waren volgens hem afkomstig van het gebruik als wedsteen. Daarmee was het voor iedereen nog niet duidelijk wat de naam “hottefyle” eigenlijk inhoud. Natuurlijk kennen we het woord “hottefylje”in onze Friese taal. De betekenis daarvan wordt gebruikt als iemand bepaalde voorstellen of ideeën dwarsboomt of daar over gaat twisten. Maar een steen als “hottefyle” kon niet meteen thuisgebracht worden in onze herinneringen. Toch blijkt de “hottefyle” jarenlang, vanaf de vroege middeleeuwen en zelfs in het begin van de vorige eeuw een zeer nuttig voorwerp te zijn geweest. De “hottefyle”was de voorganger van de “strikel”en dus het gereedschap om een zeis of een zicht mee te scherpen. Onderzoek wees ook uit dat deze “hottefyle” lang het gereedschap is geweest dat als een soort wedsteen dienst heeft gedaan om een zeis of een sikkel aan te
Rhomben porfieren (Klik op de kleine afbeeldingen voor een grotere afbeelding)
Door Jan Kloosterman
