GESTEENTEVORMING IN FRIESLAND.

Kunnen wij in Friesland stenen vinden, die in het gebied zelf zijn gevormd of zijn alle aanwezige zwerfstenen van elders aangevoerd, met name uit Scandinavië door het landijs?

Ik ben opgegroeid bij Heerenveen in de buurt van het riviertje de Tjonger. Als schooljongens waren we nog al eens te vinden bij het gekanaliseerde riviertje.  In het voorjaar was een bepaalde plek nogal interessant vanwege de eendeneieren die daar volgens ons volop zouden moeten liggen. Het was een buitendijks, drassig stuk land met daarin een door rietkragen omzoomde meander van de vroegere Tjonger.
Als we daar zo rondstruinden viel het oog wel eens op kleine steentjes, die helemaal verroest waren en er onooglijk uitzagen. Onze belangstelling hiervoor was dan  ook minimaal.
De jaren gingen echter voorbij en ondertussen was mijn belangstelling gewekt voor de namen en herkomst van onze zwerfstenen. Toen men dan ook zo’n veertig jaar geleden met een zandzuiger de Tjonger ging uitdiepen, zocht ik op het stort nog wel eens naar interessante stenen. Hier maakte ik opnieuw kennis met de “verroeste” stenen, die ik tijdens mijn kinderjaren enkele honderden meters verderop was tegengekomen. Inmiddels was ik er uiteraard achtergekomen, dat ik hier met ijzeroer had te maken. Enkele wat grotere stukken heb ik meegenomen. (Zie de foto hieronder)

IJzeroer is een roestig gekleurd, zacht gesteente, dat bestaat uit een mensel van ijzer, vooral het ijzermineraal limoniet, en (in dit geval) zand of veen. De stukken die ik heb gevonden zijn nogal plat.Ze zijn waarschijnlijk zeer dicht bij de vindplaats gevormd en hebben mogelijk deel uitgemaakt van een grotere plaat, die tijdens het zandzuigen is vernield. IJzeroer is beslist niet zeldzaam. Het schijnt zelfs voor te komen in platen tot 50 cm dikte. Voorkomens zijn/waren in grote delen van Nederland heel normaal. Hierover later meer.

Hoe is dit gesteente nu eigenlijk ontstaan?
IJzeroer ontstaat, als ijzerverbindingen uit water, afgezet worden in zand, veen of  klei, waar het water mee in contact komt. Een dergelijk gesteente noemen we, evenals bijv. kalk- en zandsteen, een afzettingsgesteente. Vorming van ijzeroer kan soms al in enkele tientallen jaren plaatsvinden. De meest ideale plaats zijn moerassige beekdalen in zand- of veengronden, waar tijdens drogere perioden de voor de oxidatie benodigde zuurstof goed door kan dringen.
Niet alle soorten water bevatten echter voldoende ijzer voor oervorming.
De ideale soort water is z.g. kwelwater. Kwelwater is grondwater dat van elders afkomstig is en dat zich zeer langzaam over schuine moeilijk doordringbare lagen in de bodem (bijv. keileem of potklei) naar lagergelegen gebieden beweegt, waar het tenslotte aan de oppervlakte komt of in sloten/beken stroomt.
Soms legt het water ondergronds grote afstanden af. Zo schijnt veel van het kwelwater uit de Rohelster Mieden afkomstig te zijn van het Drentse keileemplateau.
Tijdens de lange weg door de ondergrond neemt het kwelwater o.a. veel ijzermineralen op (limoniet). Als dit water in een sloot aan de oppervlakte komt, dan kleurt de sloot gewoonlijk (oranje)bruin van het ijzeroxide en is er neerslag van oer.
Als het water (bijna) helemaal stilstaat vormt zich op het water vaak een blauwachtig laagje, dat op olievervuiling lijkt.(Zie foto) Dit zijn  bacteriën die meewerken aan de oxidatie. (ijzer, zuurstof)  Zo’n grotendeels bruine, met olievlekachtige stukken afgewisselde waterloop geeft een wat vieze indruk. Dit geldt echter alleen voor het oog, omdat we hier verder te maken hebben met helder water.                                                                                      De vlek ijzerbacteriën is duidelijk zichtbaar.Zowel slootbodem     
als water zijn bruin van kleur.

Dat een dergelijke sloot kwelwater bevat is het duidelijkst waarneembaar in de winter. Omdat kwelwater een hogere temperatuur heeft dan ander water bevriezen de sloten/beken die dit water afvoeren minder snel dan andere sloten, zelfs als we met stilstaand water hebben te maken. De hier getoonde foto’s zijn gemaakt tijdens een vorstperiode in een sloot t.n.v. Skûlenboarch (Schuilenburg) De sloot ligt dicht in de buurt van een verhoging in het landschap  tussen Kootstertille en Jistrum (Eestrum). Aangezien de keileem zich in dit gebied vrij dicht onder het maaiveld bevindt, is het misschien mogelijk, dat het kwelwater langs de bovenkant van de keileemlaag in de sloot is terechtgekomen en dus niet zo’n lange weg heeft afgelegd.  Uiteraard is de kans ook groot, dat het kwelwater een veel grotere afstand heeft afgelegd.

Vindplaatsen en gebruik van ijzeroer.
IJzeroer komt voor in veel drassige/moerassige beekdalen in de dekzandgebieden in het zuiden, oosten en noorden van ons land.
Het industriële gebruik van ijzeroer langs de Oude IJssel in de Achterhoek is misschien wel het meest grootschalige op dit gebied, dat in ons land heeft plaatsgevonden. Nu nog bestaande bedrijven hebben daar hun lokatie te danken aan de vroegere winning van het ijzeroer.
Maar ook in Friesland is genoeg gebruik gemaakt van dit gesteente. Langs de riviertje Linde en Tjonger heeft men het ijzeroer lange tijd ontgonnen.
We kunnen echter nog dichter bij huis blijven. In De Mieden in Achtkarspelen komt veel kwelwater aan de oppervlakte. De naam IJzermieden, een gebied tussen Blauferlaat en Gerkesklooster, zegt al genoeg. Ook hier is in het verleden ijzeroer gedolven.

 

 

 

Geen ijs te bekennen. De bruine
afzettingen zijn duidelijk zichtbaar

We zijn begonnen om ons af te vragen of in Friesland ook gesteentevorming plaatsvindt. Dit is dus nog steeds zonder meer het geval. Op verschillende plaatsen vond en vindt nog steeds ijzeroervorming plaats. En zwerfstenen van Friese oorsprong? Die zijn er ook. Het afgebeelde stuk ijzeroer wordt tot de zwerfstenen gerekend, ondanks het feit, dat het gesteente waarschijnlijk dichtbij de vindplaats door oxidatie en afzetting is gevormd.
 
IJzeroer heeft veel namen. Enkele voorbeelden: moerasijzererts; ijzersteen;  moeraserts;  moddererts; weide-erts.                                                                                      
Peter Hofstee, Kootstertille.