Educatie
In deze rubriek houdt het stichtingsbestuur u regelmatig op de hoogte van de geschiedenis van het Friese Woudengebied en nieuwe ontdekkingen in dat gebied uit de historie. Verder zal deze rubriek dienen om iedereen op de hoogte te brengen van lesmaterialen en andere educatieve mogelijkheden in het museum.
De Landschapgeschiedenis van het Miedengebied ten zuiden van Buitenpost en Twijzel.
In 2005 heeft Staatsbosbeheer het miedengebied aan de zuidkant van Buitenpost en Twijzel overhoop gehaald. De bedoeling was om het gebied weer de oude landschappelijke waarden terug te geven en accenten te leggen in dit vroegere stroomdal van de Oude Riet.
Natuurlijk is zoiets ook interessant voor amateur archeologen. Jan Huizenga en ik en later ook Lammert Postma, hebben tijdens het werk door staatsbosbeheer heel wat in het gebied rondgezworven.
In het gebied werden grote stukken ontdaan van de zode die vooral bestaat uit een knippige kleigrond. Tijdens een van onze omzwervingen in het gebied ontdekten we op een plaats waar de kleilaag weggehaald werd een groot aantal scherven van potten. De scherven lagen tussen de knippige kleilaag en de daaronder zittende veenlaag. Een groot aantal scherven is door ons verzameld en door de provinciaal archeoloog Gilles de Langen beoordeeld. Deze dateerde de scherven aan de hand van een groot aantal randstukken van potten als zijnde scherven van vroeg middeleeuws aardewerk. 10e en 11e eeuw.
Het was voor ons een aanzet om ons wat verder te verdiepen in de geschiedenis van het miedengebied. Temeer toen ook de heer Poortinga, die met een detector de landerijen afstruinde, een achttal zilveren munten (schellingen) vond die geslagen waren eind 16e en begin 17e eeuw. De munten zo bleek later werden gevonden op een perceel dat in de vroegere kaarten van Wopke Eekhof werd aangeduid als kerhof.
Samen met de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) hebben we als amateur archeologen een opgraving gedaan op de plaats waar we veel potscherven aantroffen. We hebben daar toen een aantal proefputjes gegraven van een meter bij een meter waarbij we telkens tussen de kleilaag en de veenlaag potscherven aantroffen.
Terug naar het gebied. Het miedengebied is van oorsprong een veengebied. Uit onderzoek is gebleken dat het eerste veen is het holoceen is ontstaan. Analyses van onderzoek tonen aan dat er toen in het gebied vooral zeggeachtige grassen, alsemsoorten en ook het zonneroosje groeiden. Bomen begonnen langzaamaan ook in het gebied te groeien en vooral de berk en de ratelpopulier hebben in het veen hun sporen achtergelaten.
Vanaf ongeveer 7000 voor Christus tot ongeveer 3800 voor Christus was het hele gebied bedekt met grote bossen. De gemiddelde temperatuur was toen hoger dan nu. Het is dan de tijd van het Atlantische woud. Er ontwikkelde zich in het miedengebied een zeer dichte loofbosvegetatie. Eik, Linde, Berk, Iep en Es.
Met de opwarming Nederland na de ijstijden kwamen ook de eerste mensen in het gebied. De bossen waren vrij ontoegankelijk en de sporen die deze mensen nalieten vinden we dan ook aan de oude stromen of aan de randen van de bossen terug. Het was de tijd van het mesolithicum. Ook aan de randen van de Oude Riet zijn in het miedengebied een paar mesolithische vondsten gedaan op een rand van een uitloper van die Oude Riet bij een natuurlijke zandophoging in het veen. Het zijn beslist geen vondsten die bewijzen dat er mensen in het gebied woonden. Meer stukken die we toe kunnen kennen aan de jager verzamelaar die door het gebied langs de stroom van de Oude Riet trok
Echte sporen van menselijke bewoning in het miedengebied vinden we pas uit de periode van 3400 -2800 voor Christus. Toen vestigden zich de eerste mensen rond het miedengebied . Dat kunnen we afleiden van de vondsten die er gedaan zijn. In Eestrum, Opperkooten en Egypte onder Twijzel zijn vondsten gedaan die wijzen op nederzettingen. De vondsten zijn van de zogenaamde trechterbekercultuur. Op een van deze plaatsen is een scherf gevonden van aardewerk met de typische diepsteekversiering uit die tijd.
Het is zo ongeveer tussen het jaar 800 tot 1000 dat de eerste boeren het Miedengebied in deze streek intrekken. Aan de indeling van de percelen is nu nog steeds te zien dat in dit miedengebied – en dat lijkt in andere miedengebieden ook zo te zijn gegaan – de ontginning van het veengebied begint vanaf de bovenloop van de rivier de Oude Riet in westelijke richting.. De perceelslijnen geven dat aan. Een zelfde structuur treft men aan bij de Lauwers en de Zwemmer. Het is ook niet zo dat het gebied in een keer werd ontgonnen. Dat heeft jaren geduurd en pas in de vroege middeleeuwen was het miedengebied aardig bewoond.
Van die vroege middeleeuwen zijn sporen achtergelaten. Daar komen onze gevonden scherven weer te voorschijn. Die liggen tussen een laagje klei en het daaronder zittende veen. Gezien de datering van de scherven is het vrij zeker dat er rond 900 mensen woonden. Sporen in het veen wijzen ook op een verkaveling in die tijd. Op de hoeken van veenputten troffen we grote zwerfkeien aan. Mogelijk een afbakening van de kaarsrechte putten die nu gedeeltelijk met klei zijn gevuld.
Het is bekend dat veen erodeert. Dat is ook het geval geweest in het miedengebied. Op die plaatsen war men 300 jaar heeft gewoond is in die 300 jaar de veenbodem met 3 meter naar beneden gegaan. Veen erodeert gemiddeld met een centimeter per jaar als het blootgesteld is aan de lucht.
Tegelijkertijd steeg de zeespiegel door de steeds meet teruggedrongen ijskap die door de hogere temperaturen snel smolt. Het zeewater kwam steeds vaker via de open rivieren de Zwemmer, de Lauwers en de Oude Riet naar binnen. In 1196 richtte de Sint Nicolaasvloed de eerste grote catastrofe aan in het Miedengebied. In 1219 sloeg de Sint Marcellusvloed ongenadig toe in het miedengebied. Fryslan werd toen heel zwaar getroffen en het eiland Griend verdween helemaal onder de golven. In de jaren 1248, 1249 en 1268 stroomde het gebied bij hoge vloed driemaal helemaal onder water. In 1287 tijdens de grote Sint Luciavloed verdronken veel mensen. Zelfs het klooster Olijfberg te Veenklooster overspoelde en daarbij verdronken ene twintigtal nonnen.
De grote watervloeden hebben veel invloed gehad op het Miedengebied. Veen werd weggespoeld en vanuit de kustzone losgeslagen klei werd afgezet in het gebied. Die kleilaag is nog steeds terug te vinden in het gebied en maakt het mogelijk om ook de door ons gevonden scherven in de tijd te zetten. Het aardige is ook dat bij de herinrichting van het gebied een aantal stukken dieper werden bloot gelegd. Ongeveer 80 tot 100 cm onder het maaiveld werden daarbij in het veen grote hoeveelheden restanten van bomen aangetroffen. Die lagen allemaal met de kruin richting zuid west. Sommige stammen, vooral van eiken, waren nog vrij intact. Het zijn restanten van het Atlantische woud.
Voor de mensen in het gebied werd het onmogelijk om er te blijven wonen. Ze trokken naar de hogere zandkoppen in het gebied. In ons geval werd de plaats waar we de scherven vonden en dat werd aangeduid als een veenterp, verlaten en vestigden ze zich op wat nu Twijzel is. In vroegere jaren Optwizel en Twislum geheten.
Het proces van verhuizing vanaf de lage veengronden aan de loop van de Oude Riet naar hogere plaatsen heeft zich op andere plaatsen ook voorgedaan. Ook op de Tjoele onder Blauvallaat is een vroegere nederzetting geweest. Ook daar zijn we betrokken geweest bij de opgraving van restanten van een vroeger houten kerkje dat daar heeft gestaan. Behalve wat aardewerksporen en de gracht rond de plaats waar dat kerkje heeft gestaan is er niets meer aangetroffen. De zandkop waar dat kerkje heeft gestaan is later ook afgegraven. De nederzetting verkast naar de hoger gelegen zandkop Augustinusga.
In de ijzermieden ten zuid oosten van Buitenpost is eveneens een plek waar een kerkje met nederzetting heeft gestaan. De mensen die daar woonden zijn vetrokken naar de hogere kleirug van de Oude Riet dat de naam Post kreeg. Post lag aan een zijstroompje van de Oude Riet . Later werd ten noorden van Post een andere nederzetting de Utpost ontwikkeld. Utpost ontwikkelde zich sneller dan de nederzetting post. Op beide nederzettingen zijn lang kerken aanwezig geweest. Post ontwikkelde zich als Lutjepost en Utpost als Buitenpost. Het kerkje van Buitenpost is er al lang niet meer maar stond aan de zuid westkant van de splitsing van de Oude Dijk en de Kuipersweg. Tegenwoordig de boerderij van Kramer. Hier dus geen verschuiving van een heel dorp maar en splitsing die in de 12e op de 13e eeuw moet hebben plaatsgevonden gezien vondsten en dateringen.
Na de verschuivingen werden het miedengebied tot ver in de vorige eeuw gebruikt voor het maken van veen. Eerst de hoogveenturf en gedurende de laatste jaren tot na de tweede wereldoorlog voor het maken van laagveenturf, de baalders. Ook werd er vroeger ijzeroer gewonnen voor het produceren van ijzer. De naam ijzermieden herinnert daaraan. In het gebied zijn ijzerslakken aangetroffen afkomstig van een ijzerproductie. De mieden werden door de lage ligging gebruikt als hooilanden. Daar is nu door de nieuwe inrichting een einde aan gekomen. Het gebied krijgt zijn natuurlijke functie terug.